Geregeld komen kerkgangers na de dienst naar mij toe met allerlei soorten vragen, waarbij het hoofdonderwerp meestal overigens wel ´muziek´ is. Die vragen variëren van de herkomst van een bepaald lied, de huidige marktwaarde van het orgel en waar die ene valse fluittoon vandaan komt, tot de weerspiegeling van de zon in het plexiglas van de zweldeuren in het borstwerk. Voor wie niet bekend is met het ´orgeljargon´: het borstwerk is een onderdeel van het orgel; sinds ruim een jaar is het borstwerk ‘zwelbaar’.

Gelukkig maar, dat soort vragen, want dat betekent ook dat ‘het orgel’ volop leeft en zijn zinvolle functie heeft. Eén van de vragen die met enige regelmaat terugkeert, betreft de stilte voor de dienst. Sinds een tijd staat er ‘Verstilling’ aan het begin van de liturgie, tijdens het orgelspel voor de dienst. Maar waarom, waartoe en hoe lang nog? Want inderdaad: het betekent blijkbaar niet dat het orgelspel voor de dienst zich tegenwoordig beperkt tot gebruik van de Gedekt 8′, Subbas 16’ en het borstwerk met gesloten deuren.

Bachs Praeludium in a (voor de liefhebber: BWV 543) klinkt ‘gewoon’ met plenumregistratie, oftewel: ‘vol op het orgel’. En het betekent blijkbaar evenmin dat het muisstil is in de kerk, want doorgaans wordt er het een en ander heen en weer gegroet en – soms ook – heen en weer gepraat. Hebben we hier van doen met een liturgische wassen neus? Toch niet, lijkt mij. Zoals voor veel liturgische aangelegenheden geldt – en ook het orgelspel vóór de dienst is reeds een liturgische aangelegenheid – is ook dit onderwerp indertijd uitgebreid besproken binnen de liturgiecommissie.

Een belangrijke constatering was daarbij dat bij binnenkomst in de kerk voor de één ruimte moet zijn voor ontmoeting, terwijl de ander zich richt op het stil worden voor ‘de ontmoeting met de Eeuwige’, zoals aan het begin van elke dienst klinkt. Als íets de gedachten ergens op kan richten en voorbereiden, dan wel muziek. Dat kan Messiaens Apparition de l’Eglise eternelle zijn, met zijn schrille en soms zeer luide klanken; dat kan Bachs Toccata in F (BWV 540) zijn, waarvan – zoals iemand mij eens vertelde – de lange, liggende pedaaltonen temidden van veel snelle noten rust- en richtinggevend kunnen werken; dat kan een ingetogen koraal zijn, ja het kan alles zijn wat de gedachten kan richten op de stilte – en de hele dienst – die volgt.

Trouwens, is het contrast tussen (en het effect van) een volle klank en de daaropvolgende stilte niet veel groter dan wanneer John Cages compositie 4’33 aan die stilte vooraf zou gaan? (Voor wie het stuk wil beluisteren: er staan talloze opnames op internet. U kunt het ook zelf uitvoeren, het enige wat nodig is, is een piano, een kruk en een stopwatch).

Het belangrijkste is misschien wel dat ieder, die zich door middel van de muziek wil richten op het stil worden, daartoe de gelegenheid heeft. Verstilling kan je overkomen, maar het is ook een ‘mind-set’. Wie weet, klinkt er binnenkort ineens een Praeludium van Bach met alleen een Prestant 8’. Verandering van spijs doet eten,  zullen we maar zeggen. Net zoals datzelfde lied op de ene zondag nét iets anders van karakter en tempo kan zijn dan op de andere en de inleiding op een lied de ene keer net wat langer uitpakt dan de andere keer.

Zoals het kerkelijk jaar verandert, zo is ook iedere zondag anders. Gelukkig maar. Al was het alleen maar om de schijnbaar doodgewone liturgische dingen weer even anders te ervaren.

Geerten van de Wetering, organist van de Kloosterkerk