Dat de afgelopen week het festival Mozart in Den Haag gevierd kon worden, was kantje boord. Dat lag niet aan de organisatie maar aan vader Mozart, Leopold. Hij had helemaal geen zin om naar Holland te gaan, schrijft hij in zijn eerste brief uit Den Haag op 19 september 1765. Maar de Hollandse gezant in Londen, van waaruit het gezin Mozart naar het vaste land van Europa gaat, praat zo op hem in dat hij uiteindelijk besluit toch te gaan. De prins van Oranje (beter: de zus van de prinses van Oranje) zou de jonge Mozart zo graag horen spelen.
Vader Leopold heeft er geen spijt van. De Hollandse dorpen en steden zijn heel anders dan de andere Europese plaatsen: “Ik wil volstaan met de opmerking dat de properheid van de Hollandse plaatsen – die in de ogen van velen van ons te overdreven lijkt – mij heel goed bevalt…”. Naderhand blijkt de reis naar Holland om andere, minder triviale redenen gedenkwaardig. Zowel dochter Nannerl als zoon Wolfgang worden er ernstig ziek.
De brieven die Leopold uit Den Haag schrijft zijn een mengeling van medische beschrijvingen en Godsvertrouwen. “Ja, ja! Eén ding is zeker: homo proponit, deus disponit. (‘de mens wikt en God beschikt’, RL). Daar heb ik het zekere bewijs van” opent de brief van 5 november. Nannerl is dan net genezen. Wolfgang zal tien dagen later ziek worden. Bijzonder is het om te lezen hoe het Godsvertrouwen zo’n onbevangen onderdeel is van het dagelijks leven. Er wordt gebeden, er worden missen ‘besteld’ in thuishaven Salzburg, het evangelie van de zondag wordt aangehaald. Niet in de zin van: ‘alles komt goed!’ Leopold houdt er meer dan eens rekening mee dat het niet goed komt.
Deze onbevangenheid ontroert me. Ook al is de geloofswereld van vader Leopold de mijne niet. ‘De mens wikt’ – daar kan ik mee instemmen. ‘God beschikt’ – dat kan ik Leopold niet zomaar nazeggen. Het beeld van God als de oorsprong van het lot is mij te mechanisch. Ik denk mij God niet als oorzaak en gevolg, maar als een open vraag hoe om te gaan met het lot. Muziek is daarbij een trouwe makker, niet in het minst die van zoon Wolfgang, die – met zijn zus – het leven behield in Den Haag, al was het kantje boord. We hebben er een prachtig festival met nog prachtiger muziek aan te danken.

Ds. Rienk Lanooy
Bron: Piet Verwijmeren, Mozart op reis: De tournee van een wonderkind, 1763-1766, Walburgpers 2005