Al in de eerste eeuwen van het christendom werd het lijdensverhaal in de liturgie van de Stille Week niet alleen gelezen, maar ook op veel plaatsen gezongen. Aanvankelijk door één voorzanger op één enkele lectio-toon, later door drie zangers (Christus, evangelist en overige partijen) en weer later werden tekstgedeeltes, waar bijvoorbeeld het volk aan het woord kwam, door de drie solisten gezamenlijk gezongen. Geleidelijk aan kwam deze oude gregoriaanse passie onder invloed van de polyfone meerstemmigheid en zo ontstond vanaf de 16e eeuw de ‘motetpassion’, waarbij het gehele lijdensverhaal door meerstemmig koor gezongen werd. Heinrich Schütz combineerde beide vormen. Hoewel hij vele grote meerkorige werken met uitgebreide instrumentale bezetting had gecomponeerd, keert hij aan het eind van zijn leven terug naar de meest sobere compositievormen en schrijft hij zijn passionen voor enkele solisten en a capella koor. Ook beperkt hij zich uitsluitend tot de Bijbeltekst en voegt hij geen koralen en bespiegelende aria’s toe, zoals aan het eind van de 17e eeuw al gebruikelijk begon te worden.
Het contrast tussen de eenvoudige, verstillende muziek van Heinrich Schütz en het mediaspektakel ‘The Passion’ kan haast niet groter zijn. In het februarinummer van het liturgisch-kerkmuzikale tijdschrift ‘Laetare’ (2016, nr. 1) wordt flink wat plaats ingeruimd om dit wonderlijke fenomeen nader te beschouwen. Met verbazing wordt geconstateerd dat deze moderne variant van de theatrale Middeleeuwse Passiespelen (zoals nu nog steeds in Tegelen) in 2015 meer dan 3,2 miljoen televisiekijkers trok en dat ter plekke 20.000 mensen aanwezig waren om het mee te maken. Een duidelijk standpunt wordt niet ingenomen. Wel wordt geconstateerd dat er vooral sprake is van entertainment en een soort van ‘reli-kitsch’, ‘een mening die we zowel bij christenen als bij zelfverklaarde atheïsten terugvinden’. Het gaat niet in de eerste plaats om de diepere inhoud en betekenis, maar zeker is ook dat veel mensen hoe dan ook op een moderne manier in aanraking komen met het lijdensverhaal.

Ondergetekende grijpt op de avond van Goede Vrijdag in zijn Johannes Passion in alle objectieve eenvoud weer terug op Heinrich Schütz en sluit daarbij aan bij moderne componisten als Hugo Distler, Ernst Pepping en Arvo Pärt. Ook zij kozen liever voor verstilling dan voor het prestigieuze.

In deze Johannes Passion zingt de evangelist een modern soort Gregoriaans vanuit de toonsoort b klein. De woorden van Pilatus worden gezongen door tweestemmig vrouwenkoor, omspeeld door de viool en telkens in de wat scherp-zakelijke toonsoort fis klein. Alleen bij het ‘Ecce homo’ (‘Zie de mens’) wordt de milde toonsoort g-klein ingezet. Deze toonsoort g-klein is de basis-toonaard bij de woorden van Jezus, die worden gezongen door een vierstemmig gemengd koor, begeleid door sobere instrumentale partijen. Zes interludes geven instrumentale schilderingen van enkele bijzondere momenten in het verhaal.

Eén van de centrale thema’s in deze Passie is de telkens terugkerende vraag naar het koningschap van Jezus en de plaats van zijn Rijk. Als het volk uiteindelijk gekozen heeft tegen de ‘Rex’ en voor de keizer (‘Caesarem’) is de definitieve beslissing gevallen. Vanaf dit ogenblik wordt de mildere toonsoort f-klein gebruikt en wordt het recitatief gezongen door het koor. Het eigenlijke verhaal, de climax ligt dan al achter ons. In grote verstilling wordt deze Passie met eenstemmig a-capellakoor afgesloten.

Hans Jansen