Vorige week kwam het boek ‘God in Nederland 1966-2015’ uit, geschreven door Ton Bernts en Joantine Berg- huijs. Het bevat de neerslag van een onderzoek naar het geloof in Nederland op dit moment. Er is over ge- schreven in kranten en gesproken op radio en televisie. Nederland is postchristelijk geworden, is de onder- zoeksuitkomst die daarbij het meest voor het voetlicht is gebracht. Nog maar 24,5% van de mensen behoort tot een kerk en 27 % is ongebonden gelovig of spiritueel.

Het onderzoek heeft alleen meer opgeleverd dat interessant is. Er verschuift niet alleen iets in de verhouding van mensen tot het instituut kerk. Er is ook iets aan de hand met de inhoud van geloven. Onder protestan- ten gelooft nog slechts 51 % in een persoonlijke God en is dus theïst. Onder Rooms Katholieken is dat zelfs maar 17 %. De anderen geloven dat er ‘iets is’ of noemen zich zoekend. Zij zijn met andere woorden ietsist of agnost. De onderzoekers noemen deze verschuiving een teken van dubbele secularisatie. Niet alleen zijn er minder kerkleden, zij geloven ook minder.

Echter: wie zegt dat geloven in iets of zoekend zijn minder is dan geloven in een persoonlijke God? Hoe komen de onderzoekers aan deze maatstaf? Zou je deze beweging niet ook een nieuwe reformatie kunnen noemen? Terug naar de bron? Immers: Als je kijkt naar hoe de evangelisten over Jezus schrijven, dan komt daar geen beeld naar voren van iemand die er dogma’s op nahoudt. Eerder probeert hij te wrikken aan de vaste overtuigingen van de mensen die hij tegenkomt. Dat is met name te merken aan zijn manier van preken. Dat doet hij vaak in gelijkenissen. In deze kleine verhaaltjes zet hij de luisteraar consequent op een ander been. Het is met God niet zoals je zou denken, laat hij merken. Hij valt niet te begrijpen en te definië- ren. En dat is eigenlijk ook wat je kunt lezen in het verhaal over de centrale gestalte in het Eerste Testament, Mozes. Hij smeekt de Eeuwige een keer om Hem te mogen zien. Maar dan is het antwoord: ‘Niemand kan mij zien en leven…’

Het zou goed zijn als kerkleiders achter de ietsisten en zoekers in hun geloofsgemeenschap zouden gaan staan en de beweging die in de kerk plaatsvindt ook positief zouden duiden. Daarmee zouden ze ook wat meer aansluiting kunnen vinden met de 27% ongebonden gelovigen en spirituelen in Nederland. Het beeld dat deze ongebondenen van de kerk hebben is immers dat zij bepaald wordt door dogma’s en regels. Dat is vaak de reden dat zij zich van de kerk hebben afgekeerd. Ik kan mij echter voorstellen dat zij behoefte zou- den kunnen hebben aan een plaats waar sámen gezocht wordt naar wat er zin kan geven aan hun leven.

Margreet R. Klokke