Enige tijd geleden vertrok mijn zoon voor een lange reis naar Zuid-Amerika. Het einde van de opvoeding is in zicht. Op dit moment lijk ik niet erg geslaagd in mijn poging mijn kinderen groot te brengen in de christelijke traditie. Behalve de kennis van een handvol bijbel verhalen en de grote hoeveelheid kerkmuziek, die zij noodgedwongen beluisterden, geloof ik dat ik hun eigenlijk maar twee dingen heb geleerd over mijn geloof.

Het eerste gaf ik – in de vorm van een toespraak – mijn zoon nog expliciet mee op zijn reis. Mijn praatje eindigde met: “Of in mama’s woorden: moge de Liefde, die alle verstand te boven gaat, je behoeden en bewaren. Moge die Liefde de bron zijn, die je voedt en het doel waarnaar je streeft. In Den Haag en in Zuid-Amerika, vandaag en alle dagen van je leven.”

Het is het dieper gelegen geloof, van waaruit ik probeer te zijn.

Ik ben zo iemand die het plezierig vindt om met anderen over die dieper gelegen waarden en drijfveren te spreken.

En dus was het fijn, om de heidag van het bestuur van de kerk laatst te beginnen met een gesprek daarover. We vroegen elkaar een voorbeeld te geven van een moment waarop we in ons element zijn bij het werk dat we als bestuurslid mogen doen. Wat dat voorbeeld zegt over wat we werkelijk belangrijk vinden en over waar onze talenten liggen.

Daar komen mooie gesprekken van; over wat er voor ons echt toe doet in ons leven en dus ook in de Kloosterkerk. En over wat ons gegeven is om daaraan vorm te geven.

Mooi om te zien dat we allemaal gedreven worden door (ongeveer) hetzelfde. We noemen woorden als ‘gemeenschap’, ‘plek van stilte en bezinning’, ‘liefde en verbinding’, ‘troost’, ‘hoop’, ‘contact met de Eeuwige’, ‘de bijbel als bron van inspiratie’.

Mooi ook, dat de ene mens daaraan een bijdrage kan leveren doordat hij verstand heeft van begrotingen, de volgende van activiteiten voor de jeugd of van activiteiten voor de ander in de stad en wereldwijd. Weer een ander zorgt dat er van al die plannen en vergaderingen prachtige verslagen verschijnen. Ieder het zijne/hare ten dienste van het geheel. Precies zoals dat natuurlijk voor zo ontzettend veel andere vrijwilligers geldt.

Altijd heb ik daarbij de hoop dat we van onze kerk toch in ieder geval een liefdevol huis weten te maken, waar dat op andere plekken in ons leven soms zo moeilijk is.

Maar niets menselijks is ons vreemd.

Zo werd ik vanmorgen aangesproken door iemand, die zich niet gezien en gewaardeerd had gevoeld door mijn toedoen. Zo naar en verdrietig. Haar eerlijkheid en openheid raakten me. Wat fijn dat zij ons zo de gelegenheid gaf elkaar beter te zien en te begrijpen. Dat is troostrijk.

En verder vond ik het best moeilijk, want het is natuurlijk nooit de bedoeling iemand te bezeren. Laatst gebeurde dat me thuis ook nog. Toen werd ik getroost door mijn dochter, die me onderwees wat het tweede is, wat ik mijn kinderen heb meegegeven: “Ach mam, je zegt zelf altijd: ‘geeft niks, schat. Het is elke dag Pasen. Je mag elke dag opstaan en opnieuw beginnen’”.

Ze staan aan de rand van het volwassen leven, mijn twee kinderen. Eentje op reis, eentje blokt op dit moment voor haar laatste examens. Dan vertrekken ze, met twee inzichten uit mijn geloof in hun koffertje. En nou maar hopen dat ze daarop durven vertrouwen.

Gerda Hoekstra-Vermunt, lid van het College van kerkrentmeesters