Naar aanleiding van de tentoonstelling, die deze zomer in de Kloosterkerk te zien is, kan het geen kwaad nog eens de vraag te stellen hoe het toch zit met de relatie tussen kunst en religie. Een immens onderwerp, goed voor stevige theologische en kunsttheoretische geschriften. Al direct doemen allerlei voor de hand liggende vragen op. Wat wordt bedoeld met religieuze kunst? Vaak wordt gezegd dat religie en kunst hetzelfde doen: verbinding leggen met het onzegbare, met het onzienlijke, het goddelijke. Maar hoe dan en onder welke condities? In de voorbije jaren hadden de exposities in de Kloosterkerk meestal niet een expliciet bijbels gegeven als onderwerp. In de preken werd wel verwezen naar wat er te zien was, maar je kunt je afvragen of veel kerkgangers en toeristen diep religieuze betekenissen in het geëxposeerde hebben ontdekt. De nieuwe tentoonstelling heeft wél een bijbels thema: foto’s van fotografen die zich door het Bijbelverhaal over de zondvloed hebben laten inspireren. Hoe fraai de foto’s ook zijn, het onderwerp zelf impliceert nog niet dat we ook te maken hebben met ‘religieuze kunst’. Het is lastig te zeggen wat hiervoor het criterium is – zo dat er al is. Je kunt denken aan de intentie van de kunstenaar. Rembrandt of Chagall noemen we religieus geïnspireerde kunstenaars. Maar bij velen roepen schilders als Vermeer of Rothko, die in hun werk geen directe aansluiting zoeken bij godsdienstige thema’s, vergelijkbare emoties op. Beter is het misschien om de ontvankelijkheid van de beschouwer bepalend te noemen. De indruk, die de schoonheid van een kunstwerk maakt, kan soms een religieuze beleving geven. Maar waarom overkomt dit de een wel en de ander niet? Juist omdat individuele ervaringen van schoonheid en van transcendentie zo verschillend zijn en toch zo dicht bij elkaar lijken te liggen, is het begrip ‘religieus’ verwarrend. Een belangrijk aspect is ook de context waarin je het kunstwerk ziet of hoort. In een romaans kerkje kijk je anders naar een heiligenbeeld dan op de Tefaf, ook als je niet katholiek bent. Tijdens de dienst in de Kloosterkerk luister je anders (‘religieuzer’?) naar een Bachcantate dan thuis met de radio aan. Soms stuit je op paradoxale gegevens. In Museum Catharijneconvent in Utrecht staat een 17de-eeuwse glazen reliekhouder geëxposeerd met een reliek van Willibrord, de grondlegger van het Christendom in ons land (†739). Om als museumschat bewonderd te worden. In de aanpalende Catharinakerk, kathedraal van het bisdom Utrecht, staat een schrijn met eveneens een reliek van deze missionaris – hier als gewijd object ter verering van de heilige. Het eerste niet, het tweede wel een religieus voorwerp? Ander voorbeeld: de ‘Fantasie over een thema van Thomas Tallis’, gecomponeerd door Vaughan Williams, vind ik prachtige muziek. Hoewel de componist een zelfverklaarde agnost was, denk ik dat dit werk niet minder religieus te noemen is dan de originele psalmmelodieën van Tallis zelf. Maar ik kan niet zeggen waarom ik dat vind en ook niet wat ik nu eigenlijk ervaar als ik ernaar luister. De vraag wat we onder religieuze kunst dienen te verstaan, lijkt me een goed thema voor een in de Kloosterkerk te organiseren symposium. Daar zou dan nog eens helder geformuleerd kunnen worden welke functie kunst in de kerk, c.q. in de liturgie kan hebben. En welke richtlijnen, zowel in artistiek als in religieus opzicht, bestuur en kunstcommissie hanteren bij het inrichten van exposities in de Kloosterkerk – deze welgebouwde ark in de zondvloed van de tijd.

Niels Koers, lid van de Kloosterkerk