In de laatste regels van zijn boek ‘Het oude Egypte: bakermat van het jonge Christendom’ (2011) zet Tjeu van den Berk de uitspraken van twee kerkvaders tegenover elkaar. Van Tertullianus (ongeveer 160 – 230) is de uitspraak: ‘De menselijke ziel is van nature christelijk’ (anima humana naturaliter christiana). Nee, zei Augustinus (354 – 430): ‘De christelijke ziel is van nature menselijk’ (anima christiana naturaliter humana). Mooie oneliners, denk je bij jezelf, maar moeten we ons daarmee nu bezig houden? En we voelen ons gesterkt in ons vooroordeel dat men zich in theologische discussies onledig houdt met betekenisloze pietluttigheden.

Natuurlijk citeert Tjeu van den Berk deze uitspraken niet voor niets. Hij heeft dan al een lang betoog achter de rug over de Egyptische wortels van vele christelijke verhalen en rituelen. Sterker, hij suggereert dat de bron van dit alles nog veel dieper ligt en verwijst naar de archetypen van Jung. Als je zijn betoog volgt, dan bekruipt je het gevoel dat hij alles wil relativeren, en dan met name het christendom. ‘What’s new?’, lijkt zijn boodschap: het christendom recyclet gewoon aloude concepten uit allerlei bronnen, vooral uit het oude Egypte. Dat gevoel doet hem overigens schromelijk tekort; er zit niets denigrerends in zijn betoog. Hij schetst veeleer een evolutie. In de loop der tijd overleven steeds de sterkste ideeën.

Maar terug naar die uitspraken van Tertullianus en Augustinus. Is er een verschil? En zo ja, wat is dat dan? Welnu, Tertullianus beweert – kort door de bocht – dat alles begint met christen-zijn. Iedere niet-christen is dus op zijn minst een beetje dom. De uitspraak laat zich zelfs lezen als een suggestie dat een niet-christen zijn mens-zijn heeft verraden. Augustinus begint juist bij het mens-zijn. Volgens hem is het wel min of meer logisch dat een mens christen wordt, maar het is geen wet van Meden en Perzen (om de oudheid er nog eens bij te halen).

Althans, dat is de eerste indruk. Als we echt recht willen doen aan Tertullianus en Augustinus, zouden we eerst moeten onderzoeken wat zij in de context van hun uitspraken onder ‘menselijk’ en ‘christelijk’ verstonden. Maar zo diep wil ik niet graven in een simpele column. Ik zie vooral een spel met woorden, letterlijk een ‘woordenwisseling’, die de betekenis compleet laat verspringen. Zoiets vindt de columnist in mij leuk.

Wat vinden we nu van die uitspraken? De uitspraak van Augustinus riekt naar onze moderne smaak sterk naar zendingsdrang. Het heeft wel wat van een advertentietekst met de strekking: word christen, dan word je een gelukkig mens! Vergelijkbare reclame-uitingen worden ook toegepast om een haar­shampoo mee aan te prijzen. De uitspraak van Tertullianus daarentegen doet ons de wenk­brauwen fronsen. Wij krijgen associaties met Islamitische Staat, die stelt dat zij die niet op de ‘goede’ manier in God geloven, het best maar kunnen worden omgebracht; het zijn niet meer dan ongelovige beesten!

Twee kerkvaders, twee erflaters van onze westerse beschaving… We moeten wel zelf blijven nadenken, wanneer we hun geschriften lezen.

Han van den Broek, lid van de Kloosterkerk