Zondag 26 mei 2019 – Rogate (6e zondag van Pasen)

Voorganger: Ds. Rienk Lanooy

In deze dienst klinkt de cantate Ihr werdet weinen und heulen (BWV 103)

Uitvoerenden zijn het Residentie Kamerkoor en Residentie Bachorkest o.l.v. Jos Vermunt.
Solisten:
Karin van der Poel – alt
William Knight – tenor
Hessel Vredeveldt – bas

Kinderen Voor de allerkleinsten (0-4 jaar) is er crèche. Voor deze cantatedienst zijn de allerkleinsten onder ons al bij elkaar gekomen, tijdens de Mini-kerkdienst. Hun ouders en opa’s & oma’s waren ook van harte welkom. Deze viering was afgestemd op de belevingswereld van 0 – 6 jarigen. Het is welbekend dat veel kinderen een geweldige fantasie hebben. Zij kunnen van alles bedenken en zich in van alles verplaatsen. Het is ongekend! Een geliefde bezigheid, die hen ook nog helpt in dit creatieve proces, is verkleden. Speciaal voor onze fantasievolle kinderen sluiten wij de komende weken aan bij het thema ‘Een nieuw gewaad’, dat ook in de kerkdienst centraal staat. Zo ontdekken wij dat na de opstanding van Christus de metafoor van kleding en verkleden al werd gebruikt.

Koffie en thee na afloop van de dienst.

Via de website www.kerkomroep.nl kunt u tot drie maanden terug de kerkdiensten beluisteren.

Toelichting bij cantate BWV 103

Bach componeert deze cantate voor de dienst van 22 april 1725, en neemt als uitgangspunt teksten van de dichter Mariane von Ziegler. In de eerste uitvoering van deze cantate schrijft Bach in het openingskoor een sopraanblokfluit voor. In latere versies wordt deze partij omgeschreven naar soloviool of dwarsfluit. Wat er praktisch voor handen was, werd gebruikt. In het openingskoor is de tegenstelling ‘weinen und heulen’ tegenover ‘aber die Welt wird sich freuen’ in het oor springend. Dalende chromatiek beeldt de droefheid uit, en de vreugde klinkt door middel van snelle ritmen. Beide motieven worden ook door verschillende koorgroepen tegelijkertijd gebruikt. Een bouwwerk van ingenieuze dubbelfuga’s is het resultaat. Plotseling verandert de toon wanneer de bassolist in een adagio een recitatief aanheft. Hierna volgt de herhaling van een gedeelte uit het eerste koordeel. Hierna verwerkt Bach de tegenstelling treurnis en vreugde in een tweetal recitatieven en aria’s. Het eerste recitatief laat de pijn klinken in de droevige toonsoort cis mineur. Contrastrijk volgt hierop de uiterst virtuoze aria voor alt en blokfluit. In het altrecitatief slaat de treurnis om in volle vreugde door middel van een coloratuur op het woord ‘Freude’. In de hierop volgende tenoraria is de toon van de tekst helemaal opgeklaard. In het orkest horen we dan ook een belangrijke solorol voor de trompet, het ritme suggereert haast dansmuziek en stijgende drieklankbewegingen in een majeurtoonsoort laten ons alle voorafgaande ellende vergeten. Op de melodie van ‘Was mein Gott will, dass gscheh allzeit’ eindigt deze cantate, met een tekst van Paul Gerhardt, waarin Jezus zelf de gemeente troost toespreek