Waarvoor lezen wij de Bijbel?

We doen dat om kennis te nemen van eeuwenoude menselijke geloofservaringen. De bijbelschrijvers waren mensen zoals wij. Zij vertellen wat zij hebben meegemaakt en hoe zij daaruit zelf levenslessen hebben getrokken. Dat kan ons vandaag inspireren. Onze eigen vrijheid en verantwoordelijkheid blijven daarbij overeind.

Zo ongeveer schreef Klaas Wigboldus er over, in zijn column van enkele maanden geleden. Ik kan me daar wel in vinden. Toch: is dat alles? Is de Bijbel dus, als het er op aankomt, (gewoon) een stuk literatuur? Waarnaast je dus met evenveel aandacht andere (uiteraard even menselijke) literaire teksten zou kunnen lezen? Of houdt de Bijbel daarbij toch voorrang? Hoezo dan?

De Bijbel presenteert ons geloofservaringen, akkoord. Maar de vraag blijft: ervaringen waarvan? Moet er niet iets zijn geweest, waardoor de bijbelschrijvers zijn getroffen, uit hun evenwicht gebracht; iets waarvan zij vervuld zijn geraakt, om het vervolgens voor hun medemensen te vertolken en op te schrijven, in de hoop dat het ook die zou raken? Om het hoge woord maar te gebruiken: hebben zij iets ervaren waarin zij… Gód hebben ontmoet? Zó zeggen profeten en apostelen het telkens zelf. En in de kerk is dat vanouds zo opgepakt. De Bijbel ‘is Gods Woord’, werd dan gezegd. Ofwel: via het verhaal van de bijbelschrijvers komt ‘iets van Godswege’ op ons af. En zó leren we pas echt het woord ‘God’ te gebruiken, als aanduiding voor wat ons verstand te boven gaat en wat ons leven zin geeft. Als de Bijbel zó functioneert, wordt ze voor ons dan niet pas écht de moeite waard?

Ja, toch weer dat woord ‘God’. Heel weldenkend Nederland is het er nu wel over eens: ‘God’ bestaat niet. Merkwaardig: vroeger was het precies omgekeerd. Honderd jaar geleden, bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, ging men er in Europa nog volop van uit dat ‘God’ ‘natuurlijk’ wél bestaat. Aan beide kanten van het front werden de wapens gezegend, en werd verondersteld dat ‘God’ ‘aan onze kant’ stond. In die tijd waren er enkelen die toen tegen die vanzelfsprekendheid protesteerden. Eén van hen was de Zwitserse theoloog Karl Barth. Over hem mocht ik kort geleden op een Kloosterkerk-avond (‘Zinnige Kost’) iets vertellen. Hij wilde het woord ‘God’ wel gehandhaafd zien, mits ontdaan van alle vanzelfsprekende associaties. Wie en wat ‘God’ is, weten wij niet, stelde hij. We moeten ons dat nieuw laten vertellen. Via de bijbelverhalen.

Destijds, omstreeks 1920, veroorzaakte deze stellingname, ook maatschappelijk, veel opschudding.  Vandaag zullen velen er de schouders over ophalen: moet je je nú over ‘God’ nog druk maken? De ene vanzelfsprekendheid is ingeruild voor de andere. In de kerk, al bijbellezend, zoeken we een weg uit alle vanzelfsprekendheden vandaan. We willen ons telkens weer nieuw laten zeggen wat en wie ‘God’ is, dus: wat de zin van ons leven is.

Karel Blei