Toevlucht nemen tot het Boeddhisme

Onder de titel ‘Het trancendente ter sprake’ organiseert de Kloosterkerk samen met de faculteit Godgeleerdheid van de VU een aantal colleges. De redactie maakt alvast kennis met sommigen van degenen die deze colleges geven. Op 4 november spraken we met Henk Blezer. Hij is onder andere docent aan de VU en aan de Leidse Universiteit met een brede leeropdracht: het boeddhisme in al zijn facetten. Zijn specialiteit is het Tibetaanse boeddhisme. Op 15 december geeft Henk Blezer een college over het Boeddhisme in de Kloosterkerk.

Wij worden op zijn werkkamer in het fraaie gebouw der Geesteswetenschappen te Leiden ontvangen met thee. Henk beantwoordt rustig onze vragen. Ieder antwoord roept een nieuw vergezicht op, dat ons in de verleiding brengt een zijpad in te slaan. Voordat we het weten zijn we een uur verder. Het gesprek is totaal uit de hand gelopen, in de zin dat vele van onze voorbereide vragen niet eens aan de orde zijn gekomen. Wat hier volgt is een flauwe afspiegeling van wat ter sprake kwam.

Ben jij zelf boeddhist?
Van huis uit ben ik katholiek, maar ik heb inderdaad ‘mijn toevlucht genomen’ bij de Boeddha, de Dharma (zijn Leer) en de Sangha (Gemeenschap). Zo heet dat in het boeddhisme: ‘toevlucht nemen’. Ik heb mij gewend tot een geautoriseerde leraar en alles gedaan wat erbij hoort. Zo heb ik een tijdje in een Zen boeddhistisch klooster geleefd in Amerika, waar je je overigens helemaal in Japan waant. Daar heb ik ook na verloop van tijd een nieuwe naam aangenomen: Mutei.

Is jouw leeropdracht aan de VU beperkt tot het Zen boeddhisme?
Nee, mijn leeropdracht omvat alle stromingen en aspecten van het boeddhisme. Mijn specialisme is het Tibetaanse Boeddhisme. Daaraan was destijds behoefte.

Wij hebben ons een beetje voorbereid. Is het Tibetaanse boeddhisme een voorbeeld van de Mahayana of van de Hinayana stroming?
Ja ja, het ‘grote’ respectievelijk ‘kleine voertuig’. Welnu, gebruik de term Hinayana voortaan maar niet meer! Die naam is door de Mahayana-richting gegeven en hina betekent zoiets als ‘dat moet je achter je laten’. Een scheldnaam dus! Zeg liever Theravada. Dat is de nog enig overgebleven stroming van die richting, die met name in Zuidoost Azië en Sri Lanka nog wordt aangehangen. Het grote verschil tussen het Mahayana en het Theravada is eenvoudig uit te leggen. Jullie kennen waarschijnlijk de vier nobele waarheden van het Boeddhisme: (1) Er is lijden; (2) De oorzaak daarvan zijn de begeertes; (3) Er is een einde aan dit lijden mogelijk; (4) De verlossing uit het lijden verloopt via het ‘achtvoudige pad’. Tot zover zijn alle Boeddhisten het wel eens. Volgens het Theravada is de verlossing uit het lijden een zuiver individuele zaak. Maar volgens het Mayahana houdt het persoonlijke lijden niet op, zolang nog een ander levend wezen lijdt. Je moet je eigen verlossing uitstellen om anderen te helpen in hun pogingen verlost te worden. In de praxis lijkt dat dus sterk op het Christendom. Volgens die gedachte is Jezus een Bodhisattva, een mens die zijn wording tot Boeddha heeft uitgesteld om de mensheid te helpen. De meeste boeddhistische stromingen in Centraal en Oost Azië zijn Mayahana, de Tibetaanse ook.

Is het Theravada niet aantrekkelijk voor de individualistische westerling?
Tegenwoordig is naar mijn gevoel de westerling helemaal niet zo individualistisch meer. Het individualisme was veel sterker rond de vorige eeuwwisseling. Daarna hebben we allerlei meer spirituele bewegingen gehad, zoals de ‘Age of Aquarius’. Aan het begin van de twintigste eeuw ging de belangstelling vooral naar Theravada uit. Thans volgen ook veel westerse Boeddhisten het Mahayana, in allerlei vormen.

Even terug naar jouw leeropdracht. Wringt het feit dat je praktiserend boeddhist bent niet met de gewenste wetenschappelijke distantie?
(Glimlachend) Een interessante vraag. Vraag je dat ook aan een christelijke theoloog? Volgens mij is er hier wel enige asymmetrie. Begrijpelijk overigens, want boeddhistische docenten over het christendom zal je niet vaak tegenkomen. En het is op zich geen gekke vraag. De Leidse Universiteit placht vroeger een strikte scheiding aan te houden tussen de opleidingen tot theoloog en die ter voorbereiding van het ‘ambt’. De VU is tamelijk uniek, als zij principieel juist vraagt om docenten die doceren wat zij belijden. Het antwoord is dat het voor mij volstrekt geen probleem is. In mijn colleges kan niemand horen dat ik boeddhist ben. Aan mijn publicaties kan niemand zien dat ik boeddhist ben. Niettemin vind ik het wel een voordeel voor mijn veldwerk dat ik Zen boeddhist ben en geen Tibetaanse boeddhist. De diversiteit aan boeddhistische stromingen is groot, veel groter dan binnen het christendom, waar lang een centrale autoriteit bepalend was. Aan mijn Tibetaanse gesprekspartners stel ik mij in eerste instantie voor als een geïnteresseerde wetenschapper. Dat is goed als je bedenkt dat het Tibetaanse boeddhisme esoterische elementen kent, die pas aan de gelovige worden onthuld, als hij tot een bepaald niveau is gevorderd. Soms is men bereid met mij, omdat ik als wetenschapper van buiten naar het Tibetaanse boeddhisme kijk, zaken te delen die mij niet zouden worden toevertrouwd, als ik een beginnende Tibetaanse monnik zou zijn geweest. Omgekeerd wordt mij als wetenschapper natuurlijk ook niet alles verteld, wat een gevorderde ‘gelovige’ hoort. Overigens lijken mijn Tibetaanse gesprekspartners minder last te hebben van dergelijke problemen rond verschillende rollen.

(Hier bezwijken de interviewers voor de verleiding van een zijpad, waardoor allerlei voor de lezer interessante vragen niet meer aan de orde komen.)

Wat moeten we eigenlijk onder veldwerk verstaan?
Ik heb 17 jaar onderzoek gedaan. Voor veldwerk pak je je rugzak en trek je naar Tibetaanse gemeenschappen. Tegenwoordig is dat gebruikelijk onder tibetologen. Vroeger bestudeerden wetenschappers vaak enkel gewoon op hun werkkamer de oude teksten en trokken hun conclusies. Mijn promotor was een uitstekende wetenschapper, maar heeft nooit voor veldwerk een voet in India of Nepal gezet. Mijn generatie doet dat anders. Wij gaan er zelf naar toe en lezen de teksten in de context waarin zij daadwerkelijk worden gebruikt. En als je eenmaal een netwerk in de Tibetaanse gemeenschap hebt, kun je ook mensen uitnodigen naar Nederland. Ik heb inmiddels zelfs al een Tibetaanse promovendus opgeleid!

Of je teksten nu in Nederland leest in de bibliotheek of in een Tibetaans klooster, maakt dat uit? Heb je een concreet voorbeeld?

Mijn proefschrift is wel een mooi voorbeeld. Dat gaat over het zogenaamde Tibetaanse Dodenboek. Allereerst even hoe dit Dodenboek het westen heeft bereikt. Rond 1927 had Walter Evans-Wentz uit een grote verzameling een aantal teksten laten vertalen en gepubliceerd, die iets van doen hadden met sterven en dood. Preciezer: het waren teksten die opgezegd konden worden voor een stervende of gestorvene. Volgens Tibetaans boeddhistische tradities gaat er enige tijd overheen voordat de gestorvene wordt wedergeboren; in de tussentijd is hij bereikbaar. Wellicht geïnspireerd door het kassucces van het Egyptische Dodenboek noemde Evans-Wentz zijn selectie teksten het ‘Tibetaanse Dodenboek’; en ook dit werd een groot succes. Ik overweeg overigens in mijn college voor de Kloosterkerk aan de hand van dit onderwerp iets over het transcendente binnen het Boeddhisme te vertellen. Lijkt dat jullie wat? (Wij beamen dit volmondig.)
Ik raakte in dit Dodenboek geïnteresseerd en besloot mijn promotieonderzoek eraan te wijden. Daarvoor wendde ik mij dus tot de Tibetaanse gemeenschap. Wat bleek nu. Het Dodenboek is daar niet zo heel erg bekend en bij sterven en dood worden vaak andere teksten gebruikt. Uiteindelijk werd ik verwezen naar een vrij hoge lama, met wie ik erover zou kunnen spreken. Het kostte nog veel moeite om daadwerkelijk contact te krijgen. Ik had een vertaler nodig. De dochter van de lama bracht uitkomst, maar zelfs zij bleek onvoldoende ingewijd. Maar goed, toen alle hobbels waren genomen, was het eerste wat de lama zei dat hij verbaasd was. In de jaren vijftig van de vorige eeuw – tijdens het begin van de Chinese bezetting – had een hele generatie Tibetanen zich zeer ingespannen om de oude teksten te redden en uiteindelijk mee te nemen bij hun vlucht naar India. Desondanks: ‘Tibetanen zijn tot nu toe niet om uitleg komen vragen; in al die jaren in ballingschap ben jij de eerste die naar mij bent toegekomen om ernaar te vragen.’ De collectie, waarvan de teksten van het Dodenboek maar een fractie was, blijkt in feite een uitgebreid curriculum over een geavanceerde vorm van yoga! De inhoud strekt zich uit tot alle terreinen van het leven, waaronder allerlei teksten over yoga (ook seksueel), rituele praktijken en logisch-filosofische teksten, maar inderdaad ook teksten over sterven en dood. Theoretisch zou een slimme wetenschapper dit ook kunnen afleiden door alleen de teksten goed te lezen, maar dat is lang niet gebeurd. De context van gebruik kun je al helemaal moeilijk uit teksten halen.

(Wij blijven dit zijpad volgen, geboeid door het verhaal.) Dat begrijpen we. Voor het onderzoeken van de huidige praktijk is dit de meest logische weg. Maar hoe staat het met het onderzoek naar het historische boeddhisme?

De vorige generatie wetenschappers benaderde het vroegere boeddhisme door het als het ware uit de oude teksten – zonder veel oog voor de context – te reconstrueren als een soort van ‘zuivere’ filosofie, wars van ritueel, magie en bijgeloof. Deze zuivere filosofie werd vervolgens gelegd naast de rituele praktijken rond godheden en dergelijke, zoals die zich via etnografisch onderzoek lieten ontdekken en ook wel uit diverse schriftelijke bronnen. De voor de hand liggende conclusie was dat die praktijken in de loop der tijd steeds minder zuiver in de leer waren geworden, steeds minder orthodox zogezegd; bijvoorbeeld als gevolg van hindoeïstische invloeden. Deze vermeende verwijdering van de zuivere leer werd beschouwd als toenemende ‘decadentie’. Men noemt dit nu wel eens ‘protestants boeddhisme’. Met het boeddhisme is ongeveer hetzelfde gedaan als binnen het christendom tijdens de Reformatie: de katholieken waren in protestante ogen decadent; en om te weten wat een echt christen was, hoefde je je alleen maar te verdiepen in de bijbel. Maar er is zoveel meer dan alleen tekst. Mijn generatie neemt alle aspecten van de boeddhistische cultuur mee, onder andere dus de religieuze rituelen. Onze conclusie is dat er door de eeuwen heen veel meer continuïteit is geweest dan het contrast tussen de door de wetenschap gereconstrueerde boeddhistische filosofie en de huidige boeddhistische praktijk suggereert. Maar wij weten natuurlijk ook niet zo veel van de praktijk van het boeddhisme kort na et leven van de Boeddha. Nogmaals, niets ten kwade van de vorige generatie wetenschappers. Trouwens de volgende generatie zal ongetwijfeld terechte kritiek op ons werk hebben.

De tijd is om. Wij hebben nog veel vragen. Misschien worden enkele daarvan op 15 december beantwoord, als Henk Blezer in de Kloosterkerk zijn college geeft.
Emilie en Han