Dienst met cantate zondag 29 oktober 2006

Aanvangstijd 10.30 uur
Cantate Ich glaube, lieber Her (BWV 109)
Componist J.S. Bach
Door Residentie Kamerkoor / Residentie Bachorkest olv Jos Vermunt. Margriet van Reijsen (alt); Nico van der Meel (tenor);
Predikant Ds. Rienk Lanooy

Toelichting en tekst

Naar een evangelietekst van Johannes (4, 47-55) schreef Bach deze cantate in zijn eerste jaar te Leipzig voor zondag 17 oktober. Geloof en twijfel en vrees en hoop zijn hierin de thema's. In het openingskoor zijn zowel de orkest- als de koorpartijen afwisselend in de solo- als in de tutti-rol. In het orkest wedijveren (concerteren) de 1e viool en de hobo met elkaar. Dit geeft een vrije sfeer aan dit deel . De koorgedeelten worden steeds aangekondigd met één van de koorstemmen om als het ware het geloof nog met enige twijfel te uiten, daarna toch bevestigd door het hele koor (twijfel en geloof). Opvallend in dit licht is dat Bach het woord ‘Unglauben' uitgebreider verklankt dan het ‘ich glaube'.
In het volgende recitatief voor tenorsolo en basso continuo wordt de twijfel uitgedrukt door de dynamische contrasten piano (zacht) en forte (sterk). Het is uitzonderlijk dat Bach dynamische instructies noteert. Na het reciterende begin eindigt dit deel op een meer gezongen wijze (arioso) met de slotvraag ‘wie lange?'. Scherpe ritmen en grote intervalsprongen karakteriseren de volgende tenoraria. Ze geven het wankelen tussen hoop en angst aan. Met het korte altrecitatief begint in deze cantate het gedeelte van de hoop.
De soloalt vervolgt in de volgende aria boven een levendig sarabanderitme. De sarabande is een dans in driekwartsmaat, waarbij het accent, normaal op de eerste tel, is verschoven naar de tweede tel. Het middendeel van de aria in A-B-A-vorm beeldt de strijd uit tussen ‘Fleisch und Geist', waarbij Bach gebruik maakt van snelle, virtuoze noten. Twee hobo's en continuo verzorgen de instrumentale begeleiding. Het slotkoraal van deze cantate heeft een ongebruikelijke vorm. De koraalgedeelten, vertolkt door het koor, waarbij de sopraan de melodie in lange notenwaarden zingt, worden afgewisseld met instrumentale tussenspelen. Hierdoor wordt het geloof van de gemeente, verklankt door de koorzang, rijkelijk tot uitdrukking gebracht.

Koor

Ich glaube, lieber Herr, hilf meinem Unglauben!

Recitatief (Tenor)

Des Herren Hand ist ja noch nicht verkürzt,
Mir kann geholfen werden.
Ach nein, ich sinke schon zur Erden
Vor Sorge, dass sie mich zu Boden stürzt.
Der Höchste will, sein Vaterherze bricht.
Ach nein! er hört die Sünder nicht.
Er wird, er muss dir bald zu helfen eilen,
Um deine Not zu heilen.
Ach nein, es bleibet mir um Trost sehr bange;
Ach Herr, wie lange?

Aria (Tenor)

Wie zweifelhaftig ist mein Hoffen,
Wie wanket mein geängstigt Herz!
Des Glaubens Docht glimmt kaum hervor,
Es bricht dies fast zustoßne Rohr,
Die Furcht macht stetig neuen Schmerz.

Recitatief (Alt)

O fasse dich, du zweifelhafter Mut,
Weil Jesus itzt noch Wunder tut!
Die Glaubensaugen werden schauen
Das Heil des Herrn;
Scheint die Erfüllung allzufern,
So kannst du doch auf die Verheißung bauen.

Aria (Alt)

Der Heiland kennet ja die Seinen,
Wenn ihre Hoffnung hilflos liegt.
Wenn Fleisch und Geist in ihnen streiten,
So steht er ihnen selbst zur Seiten,
Damit zuletzt der Glaube siegt.

Koraal

Wer hofft in Gott und dem vertraut,
Der wird nimmer zuschanden;
Denn wer auf diesen Felsen baut,
Ob ihm gleich geht zuhanden
Viel Unfalls hie, hab ich doch nie
Den Menschen sehen fallen,
Der sich verlässt auf Gottes Trost;
Er hilft sein' Gläubgen allen.

De toelichtingstekst is geschreven door Jos Vermunt. De tekst valt onder het copyright van de Kloosterkerk.

Aan de diensten met cantate zijn hoge kosten verbonden. Ondanks vele giften dekt de collecte na afloop van de dienst slechts de helft van de uitgaven. Derhalve doet de Kloosterkerk een dringend beroep op de bezoekers om bij de uitgangscollecte actief bij te dragen (richtbedrag € 7,50 p.p.) aan de bestrijding van de onkosten.

Van de diensten met cantate is een agenda en een archief beschikbaar.