Dienst met cantate zondag 30 april 2006

Aanvangstijd 10.30 uur
Cantate T÷net, ihr Pauken! Erschallet, Trompeten! (BWV 214)
Componist J.S. Bach
Door Residentie Bachkoor / Residentie Bachorkest olv Jos Vermunt. Heleen Koele (sopraan); C├ęcile van de Sant (alt); Nico van der Meel (tenor); Pieter Hendriks (bas)
Predikant Ds. Margreet Klokke

Toelichting en tekst

Hoewel het niet tot zijn takenpakket als leider van het Leipzigs Collegium Musicum behoorde, componeerde Bach in de jaren 1733 en 1734 verscheidene zgn. gelukwenscantates. Om deze gelegenheidscomposities niet eenmalig te laten klinken, hergebruikte hij vier delen uit BWV 214 later voor het Weihnachtsoratorium: deel 1 werd ‘Jauchzet, frohlocket', deel 5 werd ‘Frohe Hirte, eilt', deel 7 werd ‘Grosser Herr', en deel 9 werd ‘Herrscher des Himmels'.
De vier stemsoorten vertegenwoordigen ieder een Godin van de antieke mythologie: Bellona (sopraan) als godin van de oorlog, Pallas (alt) als beschermster van de muzen en de wetenschap, Irene (tenor) als godin van de vrede, en Fama (bas) staat voor de roem. Alle vier, ieder op haar eigen gebied, prijzen zij de koningin. Interessant is het om in de context van onze kerkdienst te vermelden dat er in het barokke wereldbeeld geen algemeen onderscheid werd gemaakt tussen de geestelijke en wereldlijke stijl. In de macht van de vorst kwam geen menselijke willekeur voor, maar was het een verwezenlijking van Gods wil op aarde. Bach voelde in dit opzicht geen wezenlijk verschil tussen de koningin van Polen (aria 7) en de ‘König' Jezus in de trompetaria uit de eerste Weihnachts-cantate (‘grosser Herr, o starker König'). Dat de eerste sopraanaria niet terugkomt in het Weihnachtsoratorium is te wijten aan het verloren gaan van de cantate waarin Bach deze aria waarschijnlijk wel hergebruikte. In de vier recitatieven brengen de mythologische figuren hun gelukwensen over. Met uitzondering van de tenor mogen de solisten ieder nogmaals hun hulde uiten in een aria. Hierbij sluit de instrumentatie, zoals reeds naar voren kwam in het openingskoor, nauw aan bij de ariatekst.

Na de preek wordt het koraal ‘Lobe den Herren' uitgevoerd. Dit is het feestelijk slotkoraal voor vierstemmig koor en orkest met daarboven een driestemmige trompetgroep uit cantate 137: ‘Lobe den Herren, den mächtigen König der Ehren'.

Koor

Tönet, ihr Pauken! Erschallet, Trompeten!
Klingende Saiten, erfüllet die Luft!
Singet itzt Lieder, ihr muntren Poeten,
Königin lebe! wird fröhlich geruft.
Königin lebe! dies wünschet der Sachse,
Königin lebe und blühe und wachse!

Recitatief (Tenor)

Heut ist der Tag,
Wo jeder sich erfreuen mag.
Dies ist der frohe Glanz
Der Königin Geburtsfests-Stunden,
Die Polen, Sachsen und uns ganz
In größter Lust und Glück erfunden.
Mein Ölbaum
Kriegt so Saft als fetten Raum.
Er zeigt noch keine falbe Blätter;
Mich schreckt kein Sturm, Blitz, trübe Wolken, düstres Wetter.

Aria (Sopraan)

Blast die wohlgegriffnen Flöten,
Dass Feind, Lilien, Mond erröten,
Schallt mit jauchzendem Gesang!
Tönt mit eurem Waffenklang!
Dieses Fest erfordert Freuden,
Die so Geist als Sinnen weiden.

Recitatief (Sopraan)

Mein knallendes Metall
Der in der Luft erbebenden Kartaunen,
Der frohe Schall;
Das angenehme Schauen;
Die Lust, die Sachsen itzt empfindt,
Rührt vieler Menschen Sinnen.
Mein schimmerndes Gewehr
Nebst meiner Söhne gleichen Schritten
Und ihre heldenmäßge Sitten
Vermehren immer mehr und mehr
Des heutgen Tages süße Freude.

Aria (Alt)

Fromme Musen! meine Glieder!
Singt nicht längst bekannte Lieder!
Dieser Tag sei eure Lust!
Füllt mit Freuden eure Brust!
Werft so Kiel als Schriften nieder
Und erfreut euch dreimal wieder!

Recitatief (Alt)

Unsre Königin im Lande,
Die der Himmel zu uns sandte,
Ist der Musen Trost und Schutz.
Meine Pierinnen wissen,
Die in Ehrfurcht ihren Saum noch küssen,
Vor ihr stetes Wohlergehn
Dank und Pflicht und Ton stets zu erhöhn.
Ja, sie wünschen, dass ihr Leben
Möge lange Lust uns geben.

Aria (Bas)

Kron und Preis gekrönter Damen,
Königin! mit deinem Namen
Füll ich diesen Kreis der Welt.
Was der Tugend stets gefällt
Und was nur Heldinnen haben,
Sein dir angeborne Gaben.

Recitatief (Bas)

So dringe in das weite Erdenrund
Mein von der Königin erfüllter Mund!
Ihr Ruhm soll bis zum Axen
Des schön gestirnten Himmels wachsen,
Die Königin der Sachsen und der Polen
Sei stets des Himmels Schutz empfohlen.
So stärkt durch sie der Pol
So vieler Untertanen längst erwünschtes Wohl.
So soll die Königin noch lange bei uns hier verweilen
Und spät, ach! spät zum Sternen eilen.

Koor

Tenor
Blühet, ihr Linden in Sachsen, wie Zedern!
Sopran
Schallet mit Waffen und Wagen und Rädern!
Alt
Singet, ihr Musen, mit völligem Klang!
Alle
Fröhliche Stunden, ihr freudigen Zeiten!
Gönnt uns noch öfters die güldenen Freuden:
Königin, lebe, ja lebe noch lang!

De toelichtingstekst is geschreven door Jos Vermunt. De tekst valt onder het copyright van de Kloosterkerk.

Aan de diensten met cantate zijn hoge kosten verbonden. Ondanks vele giften dekt de collecte na afloop van de dienst slechts de helft van de uitgaven. Derhalve doet de Kloosterkerk een dringend beroep op de bezoekers om bij de uitgangscollecte actief bij te dragen (richtbedrag € 7,50 p.p.) aan de bestrijding van de onkosten.

Van de diensten met cantate is een agenda en een archief beschikbaar.