Dienst met cantate zondag 26 september 2004

Aanvangstijd 10.30 uur
Cantate Komm, du se Todesstunde (BWV 161)
Componist J.S. Bach
Door Residentie Kamerkoor / Residentie Bachorkest olv Jos Vermunt. Noa Frenkel (alt); Harry van Berne (tenor)
Predikant Ds. Margreet Klokke

Toelichting en tekst

Deze cantate ontstond te Weimar en werd op 27 september 1716 voor het eerst uitgevoerd. Opvallend in de orkestbezetting is de aanwezigheid, naast de strijkinstrumenten, van twee blokfluiten, die zorgen voor een fraaie, milde orkestklank. Later zal Bach deze cantate ook in Leipzig uitvoeren, hij vervangt dan de blokfluiten door twee dwarsfluiten. De koraalmelodie ‘herzlich tut mich verlangen' speelt een belangrijke, bindende rol in deze cantate. In deel 1 en in het slotkoraal is deze melodie te horen. De openingsaria begint als een trio, de blokfluiten met de basso continuo-lijn door cello en orgel. Later voegen zich hierbij de altsolist en de koraalmelodie door het orgel (deze laatste wordt in Leipzig vervangen door een sopraanstem). Hierna volgt een recitatief voor tenor en continuo waarin de woorden ‘Freudenlicht' en ‘Todesstunde' passend worden verklankt: het eerste door de hoge ligging en snelle ritmiek, het tweede door de lage ligging.
De stijgende toonladderfiguur op ‘mit solcher geht mir auf die Sonne' beeldt in muzikale zin de blik opwaarts uit om de zon te aanschouwen. In de tenoraria wordt de solist begeleid door het complete strijkorkest. Bach maakt bij ‘mein Verlangen' gebruik van de kleine secunde in stijgende en dalende richting, deze kleinste toonafstand geeft het smachtende karakter weer. Het middengedeelte van deze da capo-aria (A-B-A) wordt hoofdzakelijk begeleid door de continuo-groep. Het ‘prangen' wordt door een lange coloratuur uitgebeeld. In het volgende altrecitatief is de begeleiding in handen van het complete orkest, eerst met losse akkoorden, dan vanaf ‘Schlaf' met lage, liggende akkoorden in het strijkorkest en dalende loopjes in de fluiten.
Bij ‘auferwecken' daarentegen snelle stijgende toonladderfiguren in het strijkorkest. De repeterende hoge fluittonen bij de ‘Todestag' zijn een illustratie van de doodsklokjes. Met een opgewekte 3/8-maatsoort gaat de cantate verder: virtuoze fluitpartijen en een C-majeur geven de omslag in de tekst weer, gezongen door het koor. Geen ingewikkelde fuga, maar de stemmen netjes boven elkaar (homofoon) of groepsgewijs sopraan en alt of tenor en bas. De donkere klankkleur uit eerdere delen is helemaal verdwenen in het slotkoraal als Bach de 2 blokfluiten eenstemmig de bovenstem laat spelen. Een stralende partij in doorgaande snelle noten geeft passend uitdrukking aan de opgewekte koraaltekst.

Aria (Alt)

Komm, du süße Todesstunde,
Da mein Geist
Honig speist
Aus des Löwen Munde;
Mache meinen Abschied süße,
Säume nicht,
Letztes Licht,
Dass ich meinen Heiland küsse.

Recitatief (Tenor)

Welt, deine Lust ist Last,
Dein Zucker ist mir als ein Gift verhasst,
Dein Freudenlicht
Ist mein Komete,
Und wo man deine Rosen bricht,
Sind Dornen ohne Zahl
Zu meiner Seele Qual.
Der blasse Tod ist meine Morgenröte,
Mit solcher geht mir auf die Sonne
Der Herrlichkeit und Himmelswonne.
Drum seufz ich recht von Herzensgrunde
Nur nach der letzten Todesstunde.
Ich habe Lust, bei Christo bald zu weiden,
Ich habe Lust, von dieser Welt zu scheiden.

Aria (Tenor)

Mein Verlangen
Ist, den Heiland zu umfangen
Und bei Christo bald zu sein.
Ob ich sterblich' Asch und Erde
Durch den Tod zermalmet werde,
Wird der Seele reiner Schein
Dennoch gleich den Engeln prangen.

Recitatief (Alt)

Der Schluss ist schon gemacht,
Welt, gute Nacht!
Und kann ich nur den Trost erwerben,
In Jesu Armen bald zu sterben:
Er ist mein sanfter Schlaf.
Das kühle Grab wird mich mit Rosen decken,
Bis Jesus mich wird auferwecken,
Bis er sein Schaf
Führt auf die süße Lebensweide,
Dass mich der Tod von ihm nicht scheide.
So brich herein, du froher Todestag,
So schlage doch, du letzter Stundenschlag!

Koor

Wenn es meines Gottes Wille,
Wünsch ich, dass des Leibes Last
Heute noch die Erde fülle,
Und der Geist, des Leibes Gast,
Mit Unsterblichkeit sich kleide
In der süßen Himmelsfreude.
Jesu, komm und nimm mich fort!
Dieses sei mein letztes Wort.

Koraal

Der Leib zwar in der Erden
Von Würmen wird verzehrt,
Doch auferweckt soll werden,
Durch Christum schön verklärt,
Wird leuchten als die Sonne
Und leben ohne Not
In himml'scher Freud und Wonne.
Was schadt mir denn der Tod?

De toelichtingstekst is geschreven door Jos Vermunt. De tekst valt onder het copyright van de Kloosterkerk.

Aan de diensten met cantate zijn hoge kosten verbonden. Ondanks vele giften dekt de collecte na afloop van de dienst slechts de helft van de uitgaven. Derhalve doet de Kloosterkerk een dringend beroep op de bezoekers om bij de uitgangscollecte actief bij te dragen (richtbedrag € 7,50 p.p.) aan de bestrijding van de onkosten.

Van de diensten met cantate is een agenda en een archief beschikbaar.