Dienst met cantate zondag 27 december 2009

Aanvangstijd 10.30 uur
Cantate Ich freue mich in dir (BWV 133)
Componist J.S. Bach
Door Residentie Bachkoor / Residentie Bachorkest o.l.v. Jos Vermunt. Solisten: Hanneke de Wit (sopraan), C├ęcile van de Sant (alt), Otto Bouwknegt (tenor), Maurits Draijer (bas)
Predikant Ds. Margreet Klokke

Toelichting en tekst

Als Bach voor kerstmis 1724 een zesstemmig Sanctus componeert, hetzelfde dat later wordt opgenomen in de Hohe Messe, schrijft hij onder aan de rand van de eerste bladzijde van deze partituur een melodie voor de tekst ‘ich freue mich in dir'. Deze melodie vormt de basis voor de koraalcantate BWV 133 voor de derde kerstdag 1724.
Na twee uitbundig muzikale hoogtijdagen in de kerk doet Bach het in deze cantate rustig aan. De instrumentatie is met 2 hobo's d'amore, het strijkorkest en het basso continuo weer tot de gangbare bezetting teruggebracht. Extra is nog wel de blazer die de koraalmelodie in openingskoor en slotkoraal versterkt. Het koor zingt in het openingsdeel in een eenvoudige vierstemmige zetting de koraalmelodie. De opgewekte beweeglijkheid die uit de tekst spreekt vinden we met name terug in de orkestbegeleiding. Speelse ritmische figuren in afwisseling tussen eerste violen en continuo zorgen voor de beweeglijkheid die past bij de vreugdevolle tekst.
De snelle notenwaarden uit het openingskoor klinken ook in de alt-aria, in de begeleidingsfiguur van de hobo's d'amore. Na een driemaal in stijgende lijn gecomponeerd ‘getrost' neemt de alt de snelle noten van de hobo's over om uitbundig met coloraturen de woorden ‘getrost' en ‘unbegreiflichs' te verklanken.
Het middendeel heeft bij ‘wie wohl ist mir geschehen' als contrast rustigere achtste notenwaarden. Het volgend tenorrecitatief heeft twee oorspronkelijke tekstgedeelten uit het koraallied van Caspar Ziegler: ‘der allerhöchste Gott, kehrt selber bei uns ein', en ‘wird er ein kleines Kind und heisst mein Jesulein'. Bach schrijft dan ‘adagio', een aanduiding voor een langzaam tempo, en geeft het recitatief naast een vertellend karakter, een meer melodieuze solopartij met een doorgaande begeleiding.
De tweede aria van deze cantate is voor sopraan en strijkorkest. Een lieflijke melodie wordt door de eerste violen geïntroduceerd. Ondersteund door tweede- en altviolen, en begeleid met een terugkerend ritmisch motief van cello en contrabas.. Het middendeel contrasteert in tempo (‘largo' breed), maatsoort en bezetting: tweede- en altviolen nemen samen de onderpartij voor hun rekening en de sopraan en de eerste viool hebben de solorol. Dit alles ten dienste van de tekstuitdrukking: ‘Wie lieblich klingt es in den Ohren'.
Het volgende basrecitatief heeft net als het tenorrecitatief een koraaltekstcitaat. Ook hier ‘adagio' met een doorgaande continuobegeleiding. De cantate eindigt met een vierstemmig slotkoraal.

Koor

Ich freue mich in dir
Und heiße dich willkommen,
Mein liebes Jesulein!
Du hast dir vorgenommen,
Mein Brüderlein zu sein.
Ach, wie ein süßer Ton!
Wie freundlich sieht er aus,
Der große Gottessohn!

Aria (alt)

Getrost! es fasst ein heilger Leib
Des Höchsten unbegreiflichs Wesen.
Ich habe Gott - wie wohl ist mir geschehen! -
Von Angesicht zu Angesicht gesehen.
Ach! meine Seele muss genesen.

Recitatief (tenor)

Ein Adam mag sich voller Schrecken
Vor Gottes Angesicht
Im Paradies verstecken!
Der allerhöchste Gott kehrt selber bei uns ein:
Und so entsetzet sich mein Herze nicht;
Es kennet sein erbarmendes Gemüte.
Aus unermessner Güte
Wird er ein kleines Kind
Und heißt mein Jesulein.

Aria (sopraan)

Wie lieblich klingt es in den Ohren,
Dies Wort: mein Jesus ist geboren,
Wie dringt es in das Herz hinein!
Wer Jesu Namen nicht versteht
Und wem es nicht durchs Herze geht,
Der muss ein harter Felsen sein.

Recitatief (bas)

Wohlan, des Todes Furcht und Schmerz
Erwägt nicht mein getröstet Herz.
Will er vom Himmel sich
Bis zu der Erde lenken,
So wird er auch an mich
In meiner Gruft gedenken.
Wer Jesum recht erkennt,
Der stirbt nicht, wenn er stirbt,
Sobald er Jesum nennt.

Koraal

Wohlan, so will ich mich
An dich, o Jesu, halten,
Und sollte gleich die Welt
In tausend Stücken spalten.
O Jesu, dir, nur dir,
Dir leb ich ganz allein;
Auf dich, allein auf dich,
Mein Jesu, schlaf ich ein.

De toelichtingstekst is geschreven door Jos Vermunt. De tekst valt onder het copyright van de Kloosterkerk.

Aan de diensten met cantate zijn hoge kosten verbonden. Ondanks vele giften dekt de collecte na afloop van de dienst slechts de helft van de uitgaven. Derhalve doet de Kloosterkerk een dringend beroep op de bezoekers om bij de uitgangscollecte actief bij te dragen (richtbedrag € 7,50 p.p.) aan de bestrijding van de onkosten.

Van de diensten met cantate is een agenda en een archief beschikbaar.