Dienst met cantate zondag 27 april 2008

Aanvangstijd 10.30 uur
Cantate Wir müssen durch viel Trübsal (BWV 146)
Componist J.S. Bach
Door Residentie Bachkoor / Residentie Bachorkest o.l.v. Jos Vermunt. Solisten: Caroline Stam (sopraan); Wilke te Brummelstroete (alt); Arco Mandemaker (tenor); Matthew Baker (bas)
Predikant Ds. Margreet Klokke

Toelichting en tekst

De onbekende tekstdichter beschrijft tot en met recitatief 4 het lijden van de gelovige christen in het aardse leven. De volgende drie delen zijn gericht op de vreugdevolle hoop op het toekomstige leven in het koninkrijk van God. Deze cantate is niet in originele handschriften bewaard gebleven. We moeten het doen met handgeschreven kopieën van Bach's origineel.

Het jaar waarin deze cantate is gecomponeerd is tevens onbekend, vast staat echter wel dat deze in Leipzig voor het eerst geklonken heeft. Als basis voor het grote orgelaandeel in deze cantate diende een oorspronkelijk vioolconcert, waarvan de latere klavecimbelversie is overgeleverd (BWV 1052).
Hiervan vormen twee concertdelen de eerste twee cantatedelen. Het eerste deel is een uitgebreide instrumentale sinfonia. Voor het tweede deel heeft Bach koorpartijen aan de originele versie toegevoegd.
Het derde deel van de cantate is een altaria met obligaat (belangrijke, niet weg te laten partij) viool. Vanuit de ons beschikbare partituurbron is het niet duidelijk of Bach hier een orgel of een viool als solo-instrument heeft bedoeld. Op de tekst ‘ich will nach dem Himmel zu' zingt de alt een stijgende toonladderfiguur, met als tegenstelling de onverwachte, grillige noten bij ‘schnödes Sodom'.
In recitatief 4 begeleidt het strijkorkest met bijpassende akkoorden de tekst van de sopraan, zoals bij ‘Himmel' hoge tonen, meteen gevolgd door een lage ligging bij ‘Welt'. Na ‘Weinen','Seufzen', en ‘Leide' krijgt de sopraanmelodie een stralende hoogte bij ‘die grösste Freude'. In de hiernavolgende sopraanaria heeft de dwarsfluit een prachtige solorol. Samen met de sopraan begeleid door twee d'amore hobo's en basso continuo.

De tekst hierbij is een parafrase op psalm 126, vers 5 ‘Zij die zaaien met tranen, zij zullen oogsten met jubel'. Na het tenorrecitatief volgt een jubelend duet voor bas en tenor, in een vrolijke dansbeweging en begeleid door hobo's, violen en continuo. In het middendeel worden de zangers alleen door de continuogroep begeleid, alsof Bach wil aantonen dat de glans van ster en zon in de gelovige zelf kan stralen. De cantate eindigt met een koraal voor koor en orkest, en is gebaseerd op de melodie
‘Werde munter, mein Gemüte'.

Symphonia

Koor

Wir müssen durch viel Trübsal in das Reich Gottes eingehen.

Aria (alt)

Ich will nach dem Himmel zu,
Schnödes Sodom, ich und du
Sind nunmehr geschieden.
Meines Bleibens ist nicht hier,
Denn ich lebe doch bei dir
Nimmermehr in Frieden.

Recitatief (sopraan)

Ach! wer doch schon im Himmel wär!
Wie dränget mich nicht die böse Welt!
Mit Weinen steh ich auf,
Mit Weinen leg ich mich zu Bette,
Wie trüglich wird mir nachgestellt!
Herr! merke, schaue drauf,
Sie hassen mich, und ohne Schuld,
Als wenn die Welt die Macht,
Mich gar zu töten hätte;
Und leb ich denn mit Seufzen und Geduld
Verlassen und veracht',
So hat sie noch an meinem Leide
Die größte Freude.
Mein Gott, das fällt mir schwer.
Ach! wenn ich doch,
Mein Jesu, heute noch
Bei dir im Himmel wär!

Aria (sopraan)

Ich säe meine Zähren
Mit bangem Herzen aus.
Jedoch mein Herzeleid
Wird mir die Herrlichkeit
Am Tage der seligen Ernte gebären.

Recitatief (tenor)

Ich bin bereit,
Mein Kreuz geduldig zu ertragen;
Ich weiß, dass alle meine Plagen
Nicht wert der Herrlichkeit,
Die Gott an den erwählten Scharen
Und auch an mir wird offenbaren.
Itzt wein ich, da das Weltgetümmel
Bei meinem Jammer fröhlich scheint.
Bald kommt die Zeit,
Da sich mein Herz erfreut,
Und da die Welt einst ohne Tröster weint.
Wer mit dem Feinde ringt und schlägt,
Dem wird die Krone beigelegt;
Denn Gott trägt keinen nicht mit Händen in den Himmel.

Aria (tenor en bas)

Wie will ich mich freuen, wie will ich mich laben,
Wenn alle vergängliche Trübsal vorbei!
Da glänz ich wie Sterne und leuchte wie Sonne,
Da störet die himmlische selige Wonne
Kein Trauern, Heulen und Geschrei.

Koraal

De toelichtingstekst is geschreven door Jos Vermunt. De tekst valt onder het copyright van de Kloosterkerk.

Aan de diensten met cantate zijn hoge kosten verbonden. Ondanks vele giften dekt de collecte na afloop van de dienst slechts de helft van de uitgaven. Derhalve doet de Kloosterkerk een dringend beroep op de bezoekers om bij de uitgangscollecte actief bij te dragen (richtbedrag € 7,50 p.p.) aan de bestrijding van de onkosten.

Van de diensten met cantate is een agenda en een archief beschikbaar.